
President Jennifer Simons heeft de G-Zero-alliantie bestaande uit Suriname, Bhutan, Madagaskar en Panama gewezen op haar rol als hoeder van ecosystemen. Het staatshoofd sprak op donderdag 24 september 2026 ter gelegenheid van het G-Zero Forum in New York. De vier genoemde landen delen volgens de president een unieke verantwoordelijkheid en kansen, terwijl er gezamenlijk wordt gebouwd aan een partnerschap.
De alliantie van koolstofnegatieve en koolstofneutrale landen werd op 12 november 2024 gelanceerd tijdens de COP29 klimaatconferentie in Bakoe, Azerbeidzjan. “Als koolstofnegatieve en koolstofneutrale landen zijn wij de hoeders van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen die voordelen bieden die onze nationale grenzen ver overstijgen”, zei president Simons. Volgens haar dragen de bossen, rivieren, biodiversiteit en andere natuurlijke hulpbronnen van de G-Zero-landen bij aan de wereldwijde aanpak van klimaatverandering.
Toch moet de alliantie er tegelijkertijd voor zorgen dat deze rijkdommen de ambities en de ontwikkeling van de eigen bevolking ondersteunen. “Dit vormt de kern van de betrokkenheid van Suriname bij de G-Zero. Wij geloven dat de tijd is gekomen om over te gaan van erkenning naar actie”, benadrukte president Simons. De koolstofnegatieve status van de G-Zero-landen mag volgens het staatshoofd niet louter worden erkend; deze moet worden vertaald in concrete internationale samenwerking, grotere toegang tot financiering, technische ondersteuning, delen van kennis en betekenisvolle partnerschappen.
Suriname zet zich in om ten minste 90 procent van zijn bosbedekking te behouden. “Terwijl we de bescherming van onze natuurlijke hulpbronnen en middelen van bestaan versterken, in het bijzonder voor de gemeenschappen die hier rechtstreeks van afhankelijk zijn”, onderstreepte president Simons. Zij gaf aan dat Suriname de inkomsten uit zijn aanstaande olie- en gassector wil gebruiken om te investeren in duurzame sectoren en om te bouwen aan een veerkrachtigere en meer gediversifieerde economie. “Tegelijkertijd streven we naar een energietransitie die realistisch is en past bij onze nationale omstandigheden.”