
Staatsolie heeft over het boekjaar 2025 een historisch bedrag van USD 400 miljoen overgedragen aan de staat. Het bedrijf heeft samen met de dochterondernemingen Staatsolie Power Company Suriname N.V. (SPCS) en GOw2 een gezamenlijke omzet van US$ 832 miljoen behaald. De financiële resultaten zijn op vrijdag 15 mei 2026 gepresenteerd tijdens een Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) op het Kabinet van de President, waarbij ook het jaarverslag is goedgekeurd.
Tijdens de vergadering zijn ook uitbreidingsinvesteringen, contracten en verzekeringen besproken. President Jennifer Simons gaf aan dat ook de impact van de internationale olieprijs is besproken. “Voor bedrijven zoals Staatsolie betekent een hogere olieprijs een beter bedrijfsresultaat, maar voor Suriname kan dit ook leiden tot inflatie. Dus die twee dingen moeten met elkaar natuurlijk altijd in afstemming zijn”, aldus het staatshoofd. De regering zal over enkele maanden opnieuw evalueren om beter zicht te krijgen op de verdere gevolgen van internationale ontwikkelingen, in deze de situatie in het Midden-Oosten.
Staatsolie-directeur Annand Jagesar bevestigt dat hogere olieprijzen enerzijds positief zijn voor de inkomsten, maar ook risico’s met zich meebrengen. “Het is niet goed voor de wereldeconomie”, zegt hij, eraan toevoegend dat het bedrijf “liever goede prijzen heeft die voor iedereen goed zijn, zowel voor de consument als voor oliebedrijven”. Verder werd gesproken over de offshore-ontwikkelingen, waaronder het GranMorgu-project in Blok 58 en de gasblokken. In Blok 52 heeft Petronas eerder een declaration of commerciality afgegeven en de verwachting is dat dit jaar een Final Investment Decision (FID) wordt genomen voor het gasproject.
De Staatsolie-directeur geeft daarnaast aan dat ook een belangrijk operationeel vraagstuk rond werk- en verblijfsvergunningen voor offshore contractors is besproken. Hij legde uit dat in de offshore soms “wel 600 mensen” tegelijk werken aan installaties en booractiviteiten. “Wij maken ons een beetje zorgen of we dat wel aankunnen en of we de oude procedures niet een klein beetje moeten aanpassen”, laat hij optekenen. De topman schetst de praktische werkwijze als volgt: “Ze komen op de luchthaven, gaan naar het schip, ze werken twee weken, en gaan daarna weer via de luchthaven terug.” Volgens hem kan vereenvoudiging van de procedures nodig zijn, omdat niet altijd ruim van tevoren bekend is wie zal worden ingezet.
President Simons benadrukt dat Suriname zich moet voorbereiden op toekomstige economische groei. Er wordt daarom ingezet op onderwijs, technische opleidingen en capaciteitsopbouw. Daarnaast roept zij op tot meer ondernemerschap in sectoren zoals landbouw, toerisme en handel. “Niet alle mensen zullen bij de oliemaatschappij kunnen werken. In de agro-sector kunnen groente, kip en vlees worden geproduceerd. Als we niet ondernemen, gaan we dat moeten importeren en verliezen we kansen”, stelt het staatshoofd. Daarom investeert de regering ook in businessprogramma’s voor de agrarische sector.